De Piyon


Een openhartig gesprek met Kunstenaar Emre Demirci over zijn controversiële werk.

 

Om elf uur ’s ochtends staat Emre Demirci voor mijn deur. In zijn handen draagt hij een groot schilderij, ingepakt met bolletjesplastiek, beschermd tegen regen en wind. Ik ontwaar rood en blauw. Twee kleuren die lijnrecht tegenover elkaar staan in de kleurencirkel. In de fotostudio gaat het plastiek eraf. Emre gaat naast zijn werk staan. Vastberaden. Niets te verbergen. Wat volgt is een openhartig gesprek over de Islam, schoonheid en zelfcensuur.

 

Welke invloed heeft jou familie gehad op jouw kunstenaarschap?

Al van jongs af aan wist ik dat ik wilde schilderen. Mijn ouders moedigden het niet aan, maar ze stonden het ook niet in de weg. Ik mocht schilderen en tekenen wat ik zelf wilde. Van censuur was geen sprake. Die open houding was uitzonderlijk, besefte ik al gauw toen ik rond mij keek. Nog steeds staan ze open voor alles wat ik doe en wat ik maak. Daar ben ik hen heel dankbaar voor.

Je schildert heel figuratief. Is daar een reden voor?

‘De mens’ heeft mij altijd geboeid. Als kleine jongen maakte ik honderden portretten. Sinds ik me in de Islam ben gaan verdiepen, is mijn werk meer gelaagd en symbolischer geworden. Mijn eerste werk dat met de Islam te maken had, is een schilderij waarbij ik de 99 namen van God op had geschilderd. Je moet weten, God heeft 99 namen die steeds in dezelfde volgorde terugkeren in Islamitische boeken. Niemand weet precies waarom ze in die volgorde staan, maar iedereen aanvaardt het zo. Er wordt zelfs beweerd dat zij die alle namen uit hun hoofd leren, naar de hemel gaan. In mijn schilderij had ik de volgorde van die 99 namen omgegooid. Wat ik frappant vond, is dat niemand dat opmerkte. Dat zette me aan het denken. Hoe groot is de kennis van de moslims eigenlijk?

 

Je laatste schilderij is op z’n minst opvallend te noemen. Een naakte lezende vrouw op een matje voor een gordijn. Hoe reageert de moslimwereld?

Ik heb een klein onderzoek gedaan en heb het schilderij aan heel veel mensen getoond: niet-moslims, praktiserende moslims, extreme moslims, moderne moslims, anti-moslims … Ik vroeg hen of ze naar het schilderij wilden kijken en hun mening wilden geven. Bijna allemaal reageerden ze geschrokken: ‘Weet je wel waar je mee bezig bent?’ ‘Je gaat dat toch niet op het internet zetten?’ Vooral de mensen die mij kennen en weten dat ik met respect met de Islam omga, waren bezorgd. Ze waarschuwden me: ‘Pas op dat ze je niets gaan aandoen.’

 

Toch schilder je het. Wil je choqueren?

Absoluut niet. Ik wil iets losmaken. Ik wil aanzetten tot nadenken. Ik wil iets veranderen.

Een van de mensen die ik ondervroeg, een extreme moslim, zei stellig: ‘Dat is de Koran, ons heilige boek.’ Waarop ik: ‘Lees je de Koran? Ken je Arabisch? Hij knikte. ‘Dan zou je toch moeten zien dat het geen Arabisch maar Perzisch is,’ zei ik. ‘Het is een fragment uit de Avesta.’ Toen werd het stil.

Iemand anders, een moslima, zei: ‘Een naakte vrouw op een gebedsmatje, dat mag toch niet!’ Ik vroeg haar waarom ze dacht dat het een gebedsmatje is. Daar kon ze me niet op antwoorden. Want wat maakt een matje heilig? Uiteindelijk is het een stuk stof, door mensen vervaardigd, iets wat je in de winkel koopt. Wij bepalen zelf of iets heilig is of niet, het is dus een persoonlijke kwestie. In de tijd van Mohammed bestonden er niet eens gebedsmatjes. De mensen deden hun gebed op een bedje van bladeren. Waren die bladeren dan ook heilig?

 

Het zijn wel elementen die voor vele interpretaties vatbaar zijn. En daarmee net choquerend.

Dat klopt. Maar dat bewijst net hoe persoonlijk onze beleving is, en hoe beperkt de kennis van vele moslims. Ik ben ervan overtuigd dat, hoe beter je de Islam kent, hoe meer inzicht je hebt in de materie, des te gematigder en genuanceerder je de dingen kan zien. Zo toonde ik het schilderij aan een Islamlerares, iemand die een enorme kennis heeft. Zij zei meteen: ‘Oh wat mooi. Je hebt mij geschilderd. Zo voel ik mij.’ Ik vroeg haar wat ze er zo mooi aan vond. Heel enthousiast vertelde ze over de intense kleur van het gordijn, de warmte die afstraalde van het naakte lichaam van de vrouw, diens houding, de prachtige betegelde vloer, de tegenstelling tussen blauw en oranje, tussen warm en koud … Ze liet zich meeslepen door de schoonheid van het schilderij.

 

En de andere mensen die het werk zagen? Vonden zij het niet mooi?  

Ik vroeg aan de extreme moslim of hij het werk mooi vond, los van het thema of van wat hij erin zag. Hij antwoordde: ‘Ik mag er niets van vinden. Ik kan er niets van vinden.’ En daarmee was de kous af. Ook al vond hij de kleuren of de compositie misschien mooi, toch liet hij het niet toe, toch onderdrukte hij dat gevoel.

Die zelfcensuur vind je trouwens overal, ook in de niet-moslimwereld, waar het onderwerp de toeschouwer belemmert om tot de juiste ervaring van het kunstwerk te komen. Neem nu Francis Bacon, een Britse expressionistische schilder. Zijn onderwerpen zijn gruwelijk, het gaat over mensen die lijden en afgeslacht worden. Maar langs de andere kant zijn zijn schilderijen ook zo schoon. Bacon wou de gruwel afbeelden maar hij deed dat in zo’n prachtige schilderkundige taal dat je er als mens in gezogen wordt en de confrontatie niet uit de weg kan gaan.

Of vergelijk het met de Afrikaanse kunst. Als je naar pakweg een beeldje kijkt, valt de betekenis weg want je bent geen Bantoe die leeft met die filosofie of fetisj. Maar de schoonheid kan je wel treffen. En zo is het met veel kunst uit het verleden in musea. We kijken ernaar, en we begrijpen de iconografie niet helemaal, maar we ervaren het als mooi. Dan wordt het iets universeels, iets wat ons allemaal kan aangrijpen.

 

Bedoel je dat de Islam de beleving in de weg staat om iets als mooi te ervaren?

Als je de dingen via hun schoonheid bekijkt, is dat een sleutel tot een nieuwe wereld. Je ervaart iets nieuws, je leert iets bij. Denk aan de moslimlerares: zij ging via de schoonheid het schilderij binnen, terwijl de anderen botsten op al die symbolen, en concludeerden: ‘Ik mag er niet naar kijken.’ De Islam mag inderdaad geen beperking zijn. Het mag niet leiden tot zelfcensuur. Anderzijds wil ik ook aansporen tot meer kennis. Kennis is je blik verruimen in plaats van verengen. Kennis maakt ons toleranter. Sommige moslims zijn fanatiek. Ze zijn fier op hun God, ze zijn fier op het Ottomaanse rijk, en dat is mooi. Maar als je dieper graaft, merk je dat hun kennis beperkt is. Ze nemen aan wat van hogerop wordt aangeleerd. Ze volgen gewoon. Ze zijn moslim maar hebben de koran nog nooit gelezen. Ze doen geen onderzoek. Ze kijken niet in zichzelf.

 

En met jouw werk wil je die introspectie bewerkstelligen?

Ik kan heel veel in een werk leggen. Alles wat ik met woorden niet gezegd krijg. Ik ben ervan overtuigd dat je met kunst mensen tot inzicht kan brengen. Hoe ze met hun geloof om moeten gaan, hoe ze er metafysisch, filosofisch en fundamenteel over kunnen nadenken. Met dit schilderij wil ik mensen wakker schudden. En ik weet dat ik ermee in de problemen kan raken. Er zullen mensen me verachten, zelfs haten, me misschien iets willen aandoen. Maar ik voel me medeverantwoordelijk voor mijn medemens. Ik wil me niet verschuilen. Ik wil niets onderdrukken. Ik wil niet aan zelfcensuur doen. Ik wil geen bloemetjes schilderen.  

De Pion

2018

Olieverf op doek, 100x140 cm

Tijdschrift Akrostis, nummer: Censuur, Februari 2019

Interview & Fotografie: Joke Timmermans